Skip to main content
European Commission logo
EACEA National Policies Platform:Eurydice
National reforms in higher education
Belgium - Flemish Community

Belgium - Flemish Community

13.België-Vlaamse-gemeenschap:Lopende Hervormingen en Beleidsontwikkelingen

13.4National reforms in higher education

Last update: 31 March 2026

2026

Maatregelen om de studievoortgang te versnellen en de kloof te dichten tussen nominale en werkelijke studieduur zijn in voorbereiding maar zullen eerst een wetgevend proces moeten doorlopen. 

2025

Schrapping mogelijkheid tot vrijstelling equivalentievoorwaarde voor anderstalige opleidingen  

Hogeronderwijsinstellingen kunnen initiële bachelor- en masteropleidingen in een andere onderwijstaal dan het Nederlands enkel aanbieden indien: 

  • het gaat om opleidingsprogramma’s die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen; of 

  • de meerwaarde voor studenten en het afnemende werkveld, evenals de functionaliteit voor de opleiding, op voldoende wijze wordt aangetoond. 

De Codex Hoger Onderwijs bepaalt dat dit alleen kan wanneer er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente opleiding wordt aangeboden waarbij studenten een volledig opleidingstraject in het Nederlands kunnen volgen. Tot voor kort was het mogelijk om hier een vrijstelling voor aan te vragen, waardoor een anderstalige opleiding kon bestaan, zonder een Nederlandstalige equivalente opleiding.  

Conform het Vlaams Regeerakkoord 2024-2029 is de mogelijkheid om een vrijstelling van deze equivalentievoorwaarde aan te vragen geschrapt. Het uitgangspunt is dat studenten te allen tijde de mogelijkheid moeten hebben om elke opleiding in het hoger onderwijs in Vlaanderen minstens in het Nederlands te volgen, waarbij het opleidingsniveau gelijkwaardig moet zijn aan dat van de anderstalige variant. 

2024

Microcredentials 

Vlaanderen zette de voorbije jaren reeds voorzichtige stappen om microcredentials ingang te doen vinden in het hoger onderwijs, maar het is pas sinds het Voorsprongfonds dat het hoger onderwijslandschap in Vlaanderen de gelegenheid kreeg om het thema van de microcredentials echt te omarmen. Zo werd er geëxperimenteerd met nieuwe microcredentials, aan visieontwikkeling gedaan en kreeg het onderwerp ook de volle aandacht van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). Ook werkten de instellingen in de schoot van de werkgroep levenslang leren in co-creatie een ontwerp van afsprakenkader uit voor het gebruik van microcredentials.  

De kenmerken van een microcredential volgens het onderlinge afsprakenkader: 

  • de onderwijsbelasting van een microcredential wordt uitgedrukt in studiepunten (ECTS) en ligt normaal gezien tussen de 3 en de 20 ECTS. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken en kunnen er microcredentials zijn van meer dan 20 studiepunten. De bovengrenzen zijn gelieerd aan de regels rond de minimale opleidingsduur van een postgraduaat (20 studiepunten) of een master (60 studiepunten).  

  • Een microcredential kan fysiek, hybride of via afstandsonderwijs aangeboden worden. De hogeronderwijsinstelling houdt steeds rekening met het doelpubliek om de onderwijsvorm te bepalen.  

  • Een microcredential wordt omschreven door een set van leerresultaten. De inhoud van de microcredential wordt afgestemd op de noden van de lerende, het werkveld en de maatschappij. Deze worden vooraf meegedeeld aan de studenten. De leerresultaten worden ingeschaald in één van de niveaus van de Vlaamse Kwalificatiestructuur.  

  • Voor een microcredential type 1 is het kwalificatieniveau hetzelfde als dat van de opleiding. Indien de bouwstenen van de microcredential uit opleidingen van verschillende kwalificatieniveaus komen, telt het kwalificatieniveau dat het grootste aandeel heeft. Bij een status quo maakt de instelling een keuze.  

  • Voor de andere microcredentials dienen de leerresultaten steeds ingeschaald te worden.  

  • Binnen een microcredential worden de leerresultaten getoetst. De evaluatievorm wordt vooraf meegedeeld aan de studenten.  

  • Een hogeronderwijsinstelling zorgt voor gepaste begeleiding van studenten. Studenten die ingeschreven zijn voor een microcredential hebben in een ideale situatie toegang tot dezelfde diensten als graduaats-, bachelor- en masterstudenten, maar dit is niet steeds haalbaar. De instelling bepaalt een opleidingsaanbod op maat.  

  • De toelatingsvoorwaarden voor een microcredential kunnen vrij bepaald worden door de instelling. Gezien het karakter van microcredentials dienen zo weinig mogelijk beperkingen te worden opgelegd.  

  • Microcredentials zijn kwalificaties en kunnen gebruikt worden binnen een EVK-procedure om vrijstellingen aan te vragen. 

Dit ontwerp van afsprakenkader mag worden gezien als een eerste concretisering van het ruimer beleid rond levenslang leren in het hoger onderwijs in Vlaanderen. Het vereist nog verder debat en grondige afstemming, niet alleen onder de instellingen voor hoger onderwijs maar ook met andere spelers op het terrein van levenslang leren. 

De huidige regering verbindt zich ertoe een systeem om microcredentials in het hoger onderwijs toe te kennen om levenslang leren aan te moedigen. 

Evaluatie van het kwaliteitszorgsysteem in het Vlaamse Hoger Onderwijs 

Hogeronderwijsinstellingen bewaken de kwaliteit van hun onderwijs via interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitsprocedures, onder toezicht van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Voor nieuwe opleidingen gebeurt dit via de toets nieuwe opleiding, waarbij een onafhankelijke commissie beoordeelt of de opleiding in de toekomst waarschijnlijk zal voldoen aan de kwaliteitsnormen. Bestaande opleidingen doorlopen periodiek een accreditatieprocedure, waarbij een onafhankelijke commissie vaststelt of zij aan de kwaliteitsvoorwaarden voldoen. Daarnaast ondergaat elke erkende hogeschool of universiteit eens in de zes jaar een instellingsreview, waarin een onafhankelijke commissie het onderwijsbeleid, de interne kwaliteitszorg en de kwaliteitscultuur beoordeelt. Een positief oordeel verlengt automatisch de accreditatie van alle bestaande opleidingen, terwijl een negatief oordeel betekent dat elke opleiding afzonderlijk opnieuw geaccrediteerd moet worden. Alle kwaliteitsprocedures starten met een zelfevaluatie, gevolgd door een beoordeling met locatiebezoek door een commissie van experts. Hierbij worden ook studenten, alumni en externe deskundigen betrokken. Uiteindelijk neemt de NVAO een beslissing over de accreditatie en erkenning van opleidingen. 

In 2024 werd het kwaliteitsszorgsysteem van het Vlaamse Hoger Onderwijs geëvalueerd. Deze evaluatie kadert in de recente veranderingen die zijn opgenomen in het decreet van 2018 houdende vaststelling van het kwaliteitszorgstelsel in het hoger onderwijs, met als voornaamste wijzigingen de definitieve keuze voor het werken met een instellingsreview en het werken met procedures binnen de ‘eigen regie’ van de hogescholen en de universiteiten. Het onderzoek evalueert de huidige situatie van het kwaliteitszorgstelsel beschrijven, en beschrijft aanbevelingen formuleren met het oog op toekomstige ontwikkelingen m.b.t. het borgen van de kwaliteit van het hoger onderwijs. 

Wat betreft het beschrijven en evalueren van de huidige situatie spits het onderzoek zich toe op: 

  • een beschrijvende analyse van de procedures en rapporteringsvormen zoals ze vorm krijgen,  gebruikt en ervaren worden bij de verschillende actoren in het kwaliteitszorgsysteem (bv. commissies, kwaliteitszorgagentschappen, hogeronderwijsinstellingen zoals hogescholen, universiteiten, (ambtshalve) geregistreerde instellingen); 

  • en een evaluatieve analyse dat verschillende aspecten van kwaliteit onderzoekt, namelijk de betrouwbaarheid en validiteit van de huidige procedures en instrumenten; welke aspecten aantoonbaar zijn gemaakt en welke onderbelicht, in welke mate het stelsel aandacht heeft voor essentiële componenten van onderwijskwaliteit, of het geheel van de procedures en instrumenten voldoende is om de kwaliteit te borgen, en of deze zorgen voor een verminderde planlast.   

Bij zowel de beschrijvende als evaluatieve analyse werd gezocht naar de drempels en hefbomen binnen de verschillende aspecten. Voor het onderzoek werden meerdere stakeholdersconsultaties georganiseerd, een uitgebreide documentenanalyse uitgevoerd, en werd het onderzoeksteam ondersteund door een panel van onafhankelijke (internationale) experten op het gebied van kwaliteitszorg. 

Uit de conclusie van het onderzoek blijkt dat het bestaande kwaliteitszorgsysteem, met zijn procedures en instrumenten, in staat is om valide en betrouwbare uitspraken te doen over de kwaliteit van het hoger onderwijs en om deze kwaliteit te borgen. Grote aanpassingen op systeemniveau blijken dus niet noodzakelijk. Wel werden enkele verbeteringen aanbevolen om het kwaliteitszorgsysteem verder te optimaliseren. Dit betreft onder andere het aanpakken van de rapporteringen, het heroverwegen van systeembrede analyses, het verhogen van de transparantie van procedures en hun publicaties, en het invoeren van adequate processen die geschikt waren voor alle hogeronderwijsinstellingen, inclusief kleinere of meer gespecialiseerde instellingen.